UITWINTERING
1. JANUARI
Het is rustig en stil rond de bijenkasten. De bijentros verplaatst zich en neemt heel weinig voedsel op (nog geen 1 kg). Houd volledige rust rond de bijen om hen niet uit de tros te drijven. Voorkom dat katten, honden, mezen en muizen de bijen komen storen. Stoornis veroorzaakt afkoeling, hoger verbruik aan voorraad, gevaar voor inballen van de koningin en geeft aanleiding tot allerlei ziekten. Oppassen dat bij sneeuwval de vlieggaten niet verstoppen. Als de zon schijnt op sneeuw, lokt dit bijen naar buiten, ze vliegen enthousiast op, verstijven en zijn reddeloos verloren. Tracht dit te voorkomen door de vlieggaten tegen indringende zonnestralen te beschermen door een plank of dakpan voor de vlieggaten te plaatsen. Houd de vlieggaten wel wijd open, want verse lucht is even noodzakelijk als warmte en voedsel.
De moer legt haar eerste eitjes midden in het warmste deel van de tros. Het begin van de leg is zeker ook een kwestie van omstandigheden en erfelijke eigenschappen. Bijen ontwikkelen zelf hun warmte, maar zorg ervoor dat de stijgende warmte niet door de dekplank ontsnappen kan. Daarom leggen we isolatie, bijv. enkele kranten, boven op de dek-planken.
2. FEBRUARI
Februari heeft meestal enkele zachte dagen. Met de eigenlijke winterrust is het gedaan. De bijen vliegen op de warmste uren van de dag druk op de vroegbloeiers zoals hazelaar, sneeuwklokje en krokus. De moer gaat haar leg geleidelijk opdrijven. De temperatuur loopt in het broednest op tot 35°C. Voedsterbijen komen in actie. De suiker- en stuifmeelvoorraden worden flink aangesproken. Bijen hebben ook water nodig. Breng in de nabijheid van de kasten een kleine drinkplaats aan. Een teil of bord, half met water gevuld, waarop enkele strootjes, mos of wat hout drijven zodat de bijen niet verdrinken. De ontlastingsvluchten van de bijen worden talrijker.
Laat je niet verleiden door een warm februarizonnetje om de kasten open te maken. Laat alles maar goed gesloten. Een afkoeling van het broednest is het volk nu zeer nadelig. Houd de aanvliegplank goed in het oog. Volken die niet thuiskomen met stuifmeel zijn hoogstwaarschijnlijk moerloos of hebben een koningin die het leggen gestaakt heeft. Om vast te stellen of een volk moerloos is, kun je eens op de kast kloppen. Je luistert met je oor tegen de kast gedrukt en je hoort een fel gegons dat plots ophoudt, wees gerust: de koningin is aanwezig. Maar het gegons wordt levendiger, het houdt aan: de bijen huilen omdat ze geen moer hebben! Moerloze volken kan je verenigen met een naburig volk door middel van de krantenmethode (zie blz. 85).
3. MAART
Een volksspreuk zegt: "Maart heeft twaalf zomerse dagen". Dankbaar zullen de bijen er ge-bruik van maken, maar door plotselinge buien komen soms veel vliegbijen om. De koningin zal haar leg meer en meer opdrijven naargelang het weer en de voeding die er voorhanden is. Vers stuifmeel is nu van het allerhoogste belang en gelukkig de imker die nu bloeiende wilgen heeft in de directe omgeving.
Prikkeldeeg Sommige imkers gaan nu de koningin aanprikkelen door het toedienen van voederdeeg die ze boven op de ramen leggen. Prikkeldeeg kun je zelf maken: 1 deel gemalen stuifmeel 3 delen sojameel 8 delen suikeroplossing (2: 1) Prikkeldeeg kun je ook aankopen: Nektapoll (1000 g per verpakking). Het nut van deze prikkelvoeding wordt ook wel in twijfel getrokken. Het kan zelfs nadelige gevolgen hebben. Door prikkeldeeg neemt de broedaanzet toe. Dat vraagt extra broedver-zorging en daartoe hebben de bijen meer stuifmeel nodig. Hebben ze nu onvoldoende stuif-meelreserves en kunnen de bijen wegens het slecht weer geen vers stuifmeel halen, dan is de broedverzorging ontoereikend en worden de larven met een stuifmeeltekort geconfronteerd. Wie in het najaar voldoende wintervoeding gegeven heeft en daarbij nog veel voorjaarsbloeiers heeft in de directe omgeving, zal zeker niet moeten aanprikkelen en zal tijd en geld sparen.
Bodemplank reinigen Op de bodemplank liggen wel eens dode bijen, stukjes raat, wasmul en condensatievocht. Alhoewel dit bij varroabodems (bodems met gaasdraad) sterk gereduceerd is. Sterke volken ruimen meestal zelf hun huishouden op, maar bij zwakkere volken kan dit al eens problematisch worden en haarden van ziekten en besmettingen zijn. Begin maart, bij goed weer, gaan we de bodemplank reinigen. Zet een reserve bodemplank klaar. Maak met behulp van een ramenheffer de bodem los en neem hem weg. Plaats onmiddellijk de verse bodemplank in de plaats (met twee personen kan dit zeer vlug gaan zonder de kasten te stoten). Onderzoek nu de weggenomen bodemplank: • dode bijen: een paar honderd dode bijen op de bodemplank is nog niet verontrustend • hoeveel gangen wasmul liggen er? = aantal ramen met bijen bezet = grootte van kolonie • ligt het wasmul tot aan de achterkant van de bodem, dan is het laatste voedsel aangesproken en is noodvoeding geboden • er liggen veel honingkristallen: watergebrek • wasmotlarven • uitwerpselen van muizen • veel dode bijen, ligt de koningin er niet tussen? • ziekteverschijnselen: varroamijten...
Wie werkt met varroabodems kan al deze vaststellingen doen op de schuif die men onderaan de bodem uittrekt. Eenvoudiger kan het niet en men stoort niet eens de bijen. Condensatievocht
In het voorjaar loopt er vaak condensatievocht over de vliegplank, veroorzaakt door het tem-peratuurcontrast: 35°C in het broednest en buiten koude kille temperaturen. Om het condensatiewater gemakkelijker te laten weglopen, laten we de kasten lichtjes voorover hellen. Hoe sterker het volk, hoe meer condensatiewater. Als je condensatievocht uit de kast ziet lopen, mag je zeker zijn dat er een leggende moer is.
Een vluchtige blik in het volk In maart houden we zeker nog geen grondig voorjaarsonderzoek. Bij warm weer, het moet minimum 15 °C zijn, kunnen we wel een vluchtige kijk nemen in de kasten. Na het verwijderen van het deksel leggen we de hand op de dekplank: door de duidelijk voel-bare warmte krijgen we een eerste indruk waar het broednest zich bevindt. Zijn de bijen rustig (centraal gezeten) en ligt de dekplank keurig vastgekit, dan sluiten we de kast weer. Mocht de dekplank echter los liggen en worden we opgeschrikt door huilende bij-en, dan is het volk vrijwel zeker moerloos. Sommige imkers krabben nu wat voedsel open om de bijen aan te prikkelen. In deze periode van het jaar gaan we zeker nooit het broednest veranderen of verplaatsen.
Dood volk Een zorgzame imker zal al spoedig vaststellen dat een volk niet meer leeft of dat er nog nau-welijks een paar bijen heen en weer vliegen. Een dood volk moet je onmiddellijk opruimen. Dat een volk de winter niet overleeft, is in veel gevallen te wijten aan een fout van de imker. Natuurlijk is het zinvol de oorzaak op te sporen. Mogelijkheden: • Gebrek aan voer (14% van de wintersterfte!) • Te laat wintervoeding gegeven: de bijen hadden de kans niet meer om het voer in te dikken en te verzegelen, zodat het voer gegist is. • Verkeerd voer dat voor de bijen te veel reststoffen bevat, geeft aanleiding tot ontijdige afscheiding van fecaliën (roer), wat in de winterperiode desastreus is. Dit kan het geval zijn bij inwintering op heide- of bladhoning. • Als het voer buiten het bereik van de tros komt, kan het gebeuren dat de tros zich 's winters langzaam naar één hoek verplaatst en daardoor het contact met de andere hoek verliest. Bij strenge koude verlaten de bijen hun trosverband niet, zodat het voedsel op enkele centimeters afstand al niet meer bereikbaar is. Bij het inwinteren van sterke volken komt dit probleem zelden voor. • Aantasting door Nosema, een darmziekte, waarvoor een gebrek aan stuifmeel in de voorafgaande herfst als oorzaak wordt aangegeven. • Andere oorzaken: ouderdom, losraken van de tros, verkeerde varroabestrijding of ontijdige vluchten door het zonlicht op de sneeuw. • De laatste jaren is de wintersterfte sterk toegenomen. De juiste oorzaak is tot nu toe niet eenduidig vast te stellen.
4. APRIL
De lente gaat naar haar volle hoogtepunt: bloei van fruitbomen, heesters en voorjaarsbloemen in tuinen, weiden en bossen. En voor wie wil reizen: het koolzaad. Het is voor de imker een heel belangrijke maand. De bijenbevolking groeit met de dag aan, het is een echte explosie. In april moeten we ruimte geven aan de bijen zodat ze het broednest nog verder kunnen uitbreiden en de binnengehaalde nectar wegstoppen. Maar laten we eerst eens kijken hoe het eind maart, begin april gesteld is met onze bijen.
4.1. Beruchte eerste april
Er wordt wel eens gesproken over de beruchte eerste april. Op dat moment zijn de oude bijen grotendeels uitgestorven, terwijl het aantal jonge bijen nog gering is. Het is dan een kritiek moment waarop de nosema-ziekte kan toeslaan. Verder kunnen de weersomstandigheden daar nog toe bijdragen. Het grafiekje geeft deze situatie nog eens duidelijk weer.
De laatste jaren lijkt ‘de beruchte eerste april' vaak een paar weken vroeger te vallen.

4.2. Voorjaarsinspectie
Eind maart, begin april doen we een grondig voorjaarsonderzoek, als het weer het toelaat (minstens 15 °C). Nu is er broed in alle stadia aanwezig: eitjes, larven, poppen. Het volk verkeert in volledige harmonie. Ontbreekt die harmonie, dan is het risico van het inballen van de moer nooit ondenkbaar en dat is in die tijd van het jaar een kwalijke zaak. Bij het inballen van de moer vormt zich een bal van bijen rond de moer. Zij wordt geheel ingekapseld en gaat vrijwel altijd ten onder aan zuurstofgebrek en beschadigingen. Bij het voorjaarsonderzoek stellen zich voldoende vragen, om het openen van de kasten te verantwoorden: 1. Is er een koningin aanwezig en is deze goed aan de leg? 2. Hoeveel ramen bezetten de bijen? 3. Is er voldoende voedselvoorraad? 4. Moeten we ramen vervangen? En zo ja, welke?
1. Is er een koningin aanwezig en is deze goed aan de leg? Jonge geselecteerde koninginnen geven doorgaans geen probleem. Dat de koningin goed aan de leg is, zien we aan het broed. Een goed volk heeft midden april 9 à 10 ramen broed. De broedoppervlakken moeten goed aansluiten. Het gesloten broed is mooi egaal verzegeld, zonder te veel open cellen. Veel lege verspreide cellen noemen we hagelschot. Soms vinden we alleen, onregelmatig verspreid, vrij hoge bolvormige cellen. Dat noemen we bultbroed. De moer is dan darrenbroedig, ze gaat nooit meer bevruchte eieren leggen. Ontdekken we bultbroed, dan wordt het volk verenigd met een ander volk of vervangen we de koningin door een reservekoningin (zie 7.3 Verkeerde toestanden). Vinden we cellen met meerdere eitjes (5-25), die kriskras door elkaar liggen en tegen de wanden van de cel, en vormen de belegde cellen geen aangesloten geheel, dan zijn er eier-leggende werkbijen. De eitjes zijn natuurlijk onbevrucht en het volk is moerloos. Het hermoeren zal hier meestal mislukken. Dergelijke volken worden best afgezwaveld. Het bespaart de imker veel moeite en zorg.
2. Hoeveel ramen bezetten de bijen? Deze parameter is belangrijk om de sterkte van het volk te bepalen. Sterke, goed overwinterde bijen bezetten begin april 6-8 ramen, en ook in de onderbak al enkele ramen. Eind april moeten alle ramen bezet zijn.
3. Is er voldoende voedselvoorraad? Gezien het voedselgebruik in april fors oploopt, is een reserve van 6 à 8 kg, begin april, geen overbodige luxe. Nu we de kast openen, kunnen we de voorraad schatten, 1 dm² raatoppervlakte aan beide zeiden volledig gevuld, komt overeen met 300 tot 400 g voedsel. Een simplexraam bijvoorbeeld met 6,8 dm², kan dus een goede 2 kg bevatten. Overtollige voedselramen vervangen we door opgebouwde wafels of waswafels. De schikking van de ra-men is dan de volgende: • het broednest komt in het midden • tussen het buitenste broedraam en het stuifmeelraam hangen we een waswafel of een opgewerkt raam • de voedselramen komen aan de buitenkant.
4. Moeten we ramen vervangen. En zo ja, welke? We verwijderen oude en beschimmelde ramen en vullen de open gekomen ruimte aan met opgewerkte ramen.
4.3. Ruimte geven
Er zijn veel methodes om de bijen ruimte te geven, afhankelijk van het kasttype, de toestand van de kolonie en zeker niet in het minst van de imker zelf met zijn eigen inzichten en gewoonten. Sommigen doen helemaal niets en laten het werk aan de bijen over. Dat leidt wel vaak tot vertraging van ontwikkeling, vroege zwermen, en zwakke of zieke volken die ten onder gaan. Ruimte geven betekent de bijen prikkelen om te werken en het broednest uit te breiden.
Hoe gaan we te werk? • We werken aan de bijen in slow motion: niet stoten, geen bruuske bewegingen. • We tillen de dekplank op en geven een paar wolkjes rook over het volk, niet in de kast. In één oogopslag zien we hoeveel raten het volk bezet. • We beginnen steeds aan de zijkanten tot aan het broednest, geen broedramen uithalen. • Steeds bedachtzaam zijn voor de moer.
Een voorbeeld: • Zet de twee rompen opzij op een omgekeerd deksel, los van elkaar. • Vervang de oude vuile bodem door een nieuwe. • Plaats nu de onderste romp op de nieuwe bodem. • Vervang de beschimmelde of zwarte ramen. • Plaats daarop nu de bovenste romp. • Ook hier beschimmelde en zwarte ramen vervangen. • Langs beide zijden van het broednest vind je een stuifmeelraam. Tussen het stuifmeelraam en het broed kun je nu een waswafel toevoegen (ten hoogste 2 per volk). • Heel veel voedselvoorraad? Neem het overtollige voedsel weg en berg het op voor later. Hang opgewerkte ramen in de plaats. • Geen voedsel genoeg? Bijvoederen met suikeroplossing of voederdeeg (Apifonda of Fondabee). • Kast terug sluiten en kastfiche aanvullen.

Opmerkingen: • Sommige imkers wisselen de beide rompen om (bovenste naar onder, onderste naar boven) om zo het broednest naar onder te brengen en de bijen te stimuleren om het broednest uit te breiden naar boven. • Men kan ook beide rompen 180° draaien zodanig dat het voer dat zich tegen de achterwand bevindt, nu vooraan komt. De bijen zoeken contact met het vlieggat en trachten zo vlug mogelijk het onbezette deel in te palmen met broed. • Naargelang de maand april vordert, kunnen we bij goed weer elke week een nieuwe waswafel naast het broednest hangen. We moeten ervoor zorgen dat de jonge bijen kunnen bouwen: dat voorkomt het zwermen en houdt de bijen vitaal en gezond. • Bijen hebben warmte nodig, daarom de isolerende afdekking behouden.
4.4. Honingzolder plaatsen
Wanneer moeten we de honingzolder plaatsen? Dat is een vraag die telkens terugkeert. Je mag de honingzolder niet te vroeg plaatsen, anders koelt het broednest te veel af. Als je te lang wacht, gaan de bijen bij gebrek aan ruimte zwermplannen smeden. Plaats de honingzolder wanneer de broedkamers vol bijen zitten. Beginnen ze te bouwen aan de dekplank dan is het meer dan tijd om in te grijpen. Sterke volken hebben vaak al een honingzolder nodig begin april, andere slechts begin mei. Plaats de honingzolder in een periode van gunstig weer. Tussen de broedkamer en de honingzolder leggen we een koninginnenrooster om te beletten dat de koningin in de honingzolder gaat leggen. Sommige imkers hangen in de honingzolder een paar afgeklopte gesloten broedramen (zonder moer!), zodat de bijen vlugger de honingzolder gaan bezetten. Bij sterke volken die klaar zijn voor de honingzolder is dat zeker niet nodig. Binnen een paar dagen hebben ze de broedkamer ingenomen. In de honingzolder mogen zeker ook waswafels hangen, de bijen bouwen ze graag op. Een goede methode is afwisselend wasramen en opgewerkte ramen (honingramen van vorig jaar) hangen. Er bestaan hele en halve honingzolders naargelang het kasttype en de voorkeur van de imker. Halve honingzolders hebben het voordeel dat ze gemakkelijker bezet worden door de bijen, de ruimte is niet zo groot. Honingzolders met hele ramen hebben het voordeel dat er in alle rompen gelijke ramen hangen die je gemakkelijk kunt omwisselen.
4.5. Kastkaart
Het is belangrijk dat je alle gegevens van elk volk bijhoudt op een kaart. In de handel zijn er modelkaarten te verkrijgen, maar men kan even goed de gegevens noteren op een bierkaartje. Belangrijke gegevens te noteren: - herkomst en leeftijd van de moer, eventueel nummer en kleur van haar merkteken - informatie over de voorjaarsinspectie, plaatsen van honingzolder, zwermen, honingoogst, inwintering, ziektebestrijding...
- noteer alleen wat belang is voor de toekomst, houd het overzichtelijk

|