Alle Info voor de imker
Imkerwereld
| Maandpraatje |
| Wetgeving |
| Verzekering |
| Links |
| Externe forums |
| Boeken |
| Nieuws |
| Vraag en aanbod |
| Lesgevers |
| Registratie |
| Overleden |
|
|
Bedrijfsmethode
door Denis Van Turnhout
1 Belangrijkste kenmerken van de bedrijfsmethodeEen goede bedrijfsmethode is deze methode die voldoet aan de verwachtingen van de imker. Deze verwachtingen kunnen voor iedere imker verschillend zijn. Voor mij zijn de belangrijkste eisen waaraan een werkmethode moet voldoen, in volgorde van belangrijkheid :
Om deze doelstellingen te bereiken zijn de belangrijkste kenmerken van mijn bedrijfsmethode:
De voorgestelde imkermethode is het resultaat van een veertigjarige imkerpraktijk en is sinds 2001 uitgetest met goed resultaat. In onderstaande figuur wordt een overzicht gegeven van de bedrijfsmethode.
2 Behandeling van de volken in de loop van het jaar2.1 WinterrustGedurende de winterrust wordt een muizenrooster geplaatst. De kasten worden op een zonnige plaats gezet en beschut tegen regen en wind . Het vlieggat en bodemrooster worden volledig geopend. Er wordt eveneens vet gehangen voor de vogels, meer speciaal mezen, zodat deze de kasten niet storen. 2.2 UitwinteringNa de eerste reinigingsvlucht wordt de pollendracht per volk opgevolgd. Mooie dikke pollen betekenen een moergoed volk, geveegde of geen pollen op een moerloos, eventueel darrenbroedig volk. Op een mooie dag, na de reinigingsvluchten, worden de bodems omgewisseld en de bijen warm gezet. Dit warm zetten bestaat uit:
2.3 Uitbreiding van het volkWanneer de raamgangen, tot aan de buitenrand, met bijen bezet zijn wordt een tweede broedbak bovenop geplaatst. De opgezette bak bevat voor 50% wasramen en voor 50% opgewerkte ramen. Tevens wordt een bouwraam toegevoegd op de tweede buitenplaats voor varroabestrijding en ook voor darrenkweek. 2.4 Opsluiten van koninginWanneer de moer in de bovenste broedbak drie à vier ramen belegd heeft , dus een sterk volk, wordt de moer opgesloten in de bovenste broedbak. Tevens wordt de honingzolder opgezet, bestaande uit 8 waswafels, 2 opgewerkte ramen en een suiker- of honingraam. In het geval van een suikerraam wordt deze gemerkt, om aan te geven dat het raam niet geslingerd mag worden. De kooi waarin de koningin wordt opgesloten bestaat langs de onderzijde uit een houten of metalen plaat, langs de boven- en zijkant telkens uit een koninginnenrooster. De koningin heeft toegang tot zes broedramen en het bouwraam. De voordelen van deze methode zijn:
2.5 Varroabeperking door wegnemen van darrenbroedTot en met het slingeren van de zomerhoning wordt het bouwraam om de negen dagen uitgesneden om de varroa te bestrijden. 2.6 Onderdrukking van zwermstemmingBij het wegsnijden van het darrenbroed om de negen dagen, zal eveneens nagegaan worden of de bijen niet in zwermstemming komen. Zijn er meer belegde doppen dan worden twee broedramen met bijen weggenomen, evenals de bijen van het bouwraam. 2.7 Koninginnen- en jonge volken teeltDe teelt van koninginnen en jonge volken bestaat uit de volgende stappen:
2.7.1 Samenstellen van het kweekvolkAls kweekvolk wordt een verzamelbroedaflegger gebruikt. Een verzamelbroedaflegger wordt samengesteld met broedramen uit verschillende volken. Van een volk worden 1 of 2 gesloten broedramen, met opzittende bijen, en de bijen van het bouwraam afgenomen. De koningin wordt vooraf gevangen om te vermijden dat ze in de verzamelbroedaflegger terecht komt. De oude bijen geeft men de tijd om af te vliegen. Bij voorkeur worden de broedramen afgenomen bij kasten in zwermstemming of bij sterke volken. Een verzamelbroedaflegger bestaat uiteindelijk uit 7 à 8 gesloten broedramen, aangevuld met 2 honing-stuifmeelramen en een vulblok. De verzamelbroedaflegger wordt verhuisd over een afstand van minimum 5 km (in vogelvlucht) en gevoederd met deeg of honing. De cellen, in plastiek of was of speeldopjes, die gebruikt worden voor de koninginnenteelt, worden ingehangen zodat ze gezuiverd kunnen worden door de bijen. 2.7.2 Inhangen van het teeltraamNegen dagen na het samenstellen van de verzamelbroedaflegger, worden vooreerst alle doppen gebroken in het kweekvolk. Het vulblok wordt weggenomen zodat midden in het volk ruimte ontstaat voor het teeltraam. Hierin wordt het teeltraam met belarfde cellen ingehangen. Het belarven van de cellen vraagt wel enige techniek en handigheid:
In drachtloze dagen worden zowel het kweek- als het teeltvolk met honingwater gevoederd. 2.7.3 InkooienZes dagen na het inhangen van het teeltraam worden de gesloten cellen ingekooid. 2.7.4 Samenstellen van bevruchtingsvolkjesDertien dagen na het inhangen van het teeltraam worden de jonge koninginnen geboren. Het aantal geboren koninginnen wordt genoteerd. Het kweekvolk wordt verdeeld in een aantal bevruchtingsvolkjes, bij voorkeur in de vroege morgen ofwel bij valavond. Een bevruchtingsvolk bestaat uit:
De bevruchtingsvolkjes worden gedurende één of twee dagen opgesloten. Daarna worden ze naar de bevruchtingsstand gebracht die tenminste 5 km is verwijderd van de plaats waar het kweekvolk stond. Heeft men meer dan acht bevruchtingsvolkjes nodig, dan volstaat het kweekvolk niet om in alle bevruchtingsvolkjes te voorzien. De bijkomende bevruchtingsvolkjes moeten worden gemaakt op dag (+5), zodat op dag (+13) alle broed verzegeld is. Er wordt vanaf het samenstellen van de volkjes steeds voederdeeg gegeven. Ongeveer 1 kg per keer, niet meer, om te vermijden dat het voederdeeg teveel uitdroogt. 2.7.5 Varroabehandeling van jonge volkenHier moet een onderscheid gemaakt worden tussen bevruchtingsvolkjes die zijn afgeleid uit het teeltvolk en bevruchtingsvolkjes van dag (+5). Veertien dagen na het geven van een koningin aan een bevruchtingsvolkje van dag (+5), wordt een eerste varroabehandeling gegeven, omdat alle broed dan is uitgelopen. Ieder raam wordt besproeid met melkzuur van 15%, ongeveer 5 cc per raam. Dit wordt uitgevoerd in de vroege morgen om er zeker van te zijn dat de koningin, terugkomende van de bruidsvlucht, niet wordt afgeschrikt. Drie à vier dagen later wordt ieder raam bedruppeld met oxuvar, met ongeveer 5 cc per raamgang. Voor een bevruchtingsvolkje afkomstig van het teeltvolk kan het besproeien met melkzuur reeds gebeuren op de dag dat de onbevruchte koningin wordt gegeven, en na 3 à 4 dagen met oxuvar. 2.7.6 Uitbreiden van jonge volkenVanaf de 30ste dag na het samenstellen van het jonge volkje loopt het eerste broed uit. En vanaf dan krijgt het volkje om de negen dagen een licht bebroed raam. Indien deze niet meer voorradig zijn kan ook een uitgeslingerd honingraam, besproeid met water, worden gegeven. Het honingraam is best een raam dat nog datzelfde jaar is opgebouwd. Het volk regelmatig uitbreiden en "steeds" voederen met suikerdeeg. Het resultaat van een 4-ramer gemaakt op 1 juni is op 1 september een volle bak bijen en voorraad. Het volk kan dan meer ruimte worden gegeven door een hoogsel met ramen onder het volk te zetten of een onderzetrand, zodat de bijen kunnen doorhangen. 2.8 Slingeren van honingDe honingracht loopt ten einde rond tien juli, zodat het best wordt geslingerd tussen vijf en tien juli. In deze periode van het jaar zijn de bijen nog niet echt roofzuchtig, zoals in echt drachtloze perioden. Het slingeren en het opvoederen kan rustiger gebeuren. Het slingeren wordt het best uitgevoerd na een drachtloze koude periode van 2 of 3 dagen. De losse natte honing is dan ingedikt en ontwaterd. Komt er na het slingeren nog een dracht dan komt dat ten goede van de inwintering. Daags voor het slingeren wordt een bijenuitlaat gelegd. 's Morgens, de volgende dag , worden de resterende bijen uit het honinghoogsel verwijderd. Dit gebeurt door de restbijen, buiten het vlieggebied van de bijen, af te vegen in een mand of kuip. De mand of kuip met bijen wordt vervolgens terug in het volk gegoten of voor het volk op een aanloopplank of koninginnerooster als aanloop. 2.8.1 Behandeling van de honingEr wordt geslingerd in een warme ruimte. De honing wordt twee of driemaal gezeefd met een grove en fijne zeef. De geslingerde honing wordt uiteindelijk weggezet in honingvaten die warm en droog worden bewaard. Na drie dagen wordt de honing afgeschuimd met behulp van een vochtig doek, eventueel nogmaals de volgende dag. Vervolgens wordt de honing geent. Het enten bestaat uit de volgende stappen.
2.8.2 Verzorgen en bewaren van ramenDirect na het slingeren van de ramen worden ze gesorteerd.
De juist geslingerde ramen mogen geen nacht vrijstaan, omdat anders de wasmot de kans heeft haar eitjes te leggen. In de diepvriezer heeft de wasmot geen kans omdat ze aan de honingnatte ramen blijft kleven. De raten kunnen tot de volgende lente in de diepvriezer blijven, zonder motbehandeling. Wanneer de ramen ook gedurende de zomer in de diepvries blijven moeten de ramen regelmatig gesolferd worden, b.v. om de twee maanden. Opgepast met het solferen. De dampen zijn giftig voor de mot, maar ook voor de mens. Neem ook de nodige voorzorgen tegen brandgevaar. 2.9 Varroabehandeling met broedafnameEen probleem bij de meeste varroabehandelingsmethoden is dat de mijten vrij gemakkelijk kunnen overleven als ze zich in het broed bevinden. Deze nazomerbehandeling is erop gericht de volken eerst in een broedloze toestand te brengen en dan pas de behandeling toe te passen. De varroabehandeling door broedafname wordt uitgevoerd na het slingeren. De methode van broedafname is geen probleem wanneer er gewerkt wordt met zachtaardige rassen en bij het gebruik van broedbeperking, daar in dat geval maar 6 broedramen en het bouwraam moeten verwijderd worden. De methode bestaat erin dat ieder te behandelen volk broedloos wordt gemaakt, eenvoudig door het wegnemen van alle broed. Het broed van een aantal volken wordt in een broedstoofvolk gehangen, dat het broed verder zal verzorgen. Op regelmatige tijdstippen worden de pas geboren bijen van het broedstoofvolk weggenomen, tegen de varroa behandeld en verdeeld over een aantal volken. Voor ieder te behandelen volk moet het volgende worden uitgevoerd:
De activiteiten aan het broedstoofvolk zijn:
2.10 InwinteringVolken, waarvan het broed is afgenomen, worden vanaf dat ogenblik doorlopend met suikerdeeg gevoederd. Dit voeder heeft ook de bedoeling het volk te prikkelen, omdat een honingdracht wordt nagebootst. Jonge volkjes worden vanaf het begin voortdurend gevoerd met suikerdeeg in porties van 1 kg dat boven op de ramen wordt gelegd, afgedekt met plastiekfolie, en dit tot 1 septemeber. Op 1 september wordt nagegaan of de kasten hun streefgewicht bereikt hebben. Indien dat niet het geval is wordt suiker opgelost in water (3:2) gegeven, tot de volken hun streefgewicht bereikt hebben. Er wordt nu vloeibaar gevoederd omdat dit sneller gaat. Het voederen moet gedaan zijn op 10 september. Op 1 september wordt eventueel een moerwisseling uitgevoerd door het verenigen van volken met de gazetmethode. Daarna kunnen de verenigde volken nog vloeibaar worden gevoederd tot het streefgewicht bereikt is op 10 september. Volken, in een Segeberger kast met onderzetrand en 1 romp, moeten een minimum gewicht hebben van 32 kg na het voederen. Volken, in een Segeberger kast met 2 rompen, moeten een minimum gewicht hebben van 37 kg. 2.10.1Varroabehandeling na inwinteringEinde september, sommige volken zijn dan reeds broedloos, anderen nog niet, volgt nog een varroabehandeling. Indien de temperatuur het toelaat met melkzuur of met mierenzuur, bij koud weer met oxuvar. Deze behandeling wordt uitgevoerd om opzittende mijten te doden en om de graad van aantasting vast te stellen. 2.11 WinterrustOp het ogenblik dat de bijen, een eerste maal, in wintertros zitten kan gemakkelijk na gegaan worden hoeveel bijen er werkelijk zijn. Indien de bijen, in wintertros, minder dan 4 à 5 raamgangen bezetten, wordt aanbevolen het volk op te doeken door het te verenigen met een ander volk. Het verenigen wordt uitgevoerd zonder de koningin te zoeken; de keuze wordt overgelaten aan de bijen. 2.11.1Varroabehandeling in de winterDe winterbehandeling wordt ten vroegste 21 dagen na het invallen van de eerste vorstperiode uitgevoerd. Het beste is tussen Sint Niklaas 6 december en Kerstmis 25 december. De bestrijding wordt uitgevoerd met oxuvar. Bij de winterbehandeling moeten alle mijten gedood worden. Vanaf 1 oktober worden open bodems gebruikt zodat:
Elke legronde minder, zijn ook minder mijten. Het volk haalt zijn achterstand aan bijen wel terug in, omdat de jong geboren bijen minder last zullen hebben van slecht weer en de oude bijen hun vetreserves langer houden. 2.11.2Aanmaak van waswafelsDe was, gebruikt voor het maken van wasafels, komt voort van:
De was wordt een eerste maal gesmolten in een zonnewassmelter, stoomwassmelter of kookketel. In de kookketel wordt regenwater gebruikt als kookwater. Een tweede keer wordt de was gesmolten in regenwater en wordt de gesmolten was gefilterd met een nylonkous. De gefilterde was wordt opgevangen in "heet" regenwater. De ketel met heet regenwater en gefilterde was laat men nu zeer langzaam afkoelen. Dat kan b.v. gebeuren in een kunststof Segeberger kast, die langs onder en boven wordt afgesloten met isolatieplaten. Na 2 dagen is de was afgekoeld en kunnen de onreinheden, aan de onderkant van de wasblok, worden afgeschraapt. Voor het maken van waswafels is een waswafeltoestel nodig. Een watergekoeld toestel komt op 600 euro. De was wordt opgewarmd tot 85 à 90°C au bain Marie. De vloeibare was wordt in het toestel gegoten, toestel sluiten en tegelijk koelen gedurende plus minus 1 minuut. Vervolgens wordt de waswafel op maat gesneden. De wafels worden, per 20 à 25 stuks, verpakt in papier en op een droge en koele plaats bewaard.
|





